Net als Charles Wesley Godwin komt Coltt Winter Lepley uit het gebied rond de Allegheny Mountains. De singer-songwriter is gevormd door de streek. Dat hoor je op zijn officiële debuutplaat Coltt Winter Lepley die hij maakte met The Allegheny High, de begeleidingsband van Godwin. Om Lepley wat beter te leren kennen in aanloop naar zijn nieuwe plaat, vroeg Fried Coyote hem naar z’n roots.

Floris Visman

Waar ben je opgegroeid en hoe heeft die plek gevormd wie je nu bent?

Ik ben opgegroeid in Bedford, Pennsylvania, in de Allegheny Mountains van Noord-Appalachia. Die plek heeft echt alles gevormd. Ik ben erg geïnteresseerd in lokale folklore, geschiedenis, spookverhalen en legendes. Ik probeer bepaalde elementen daarvan in mijn kunst te verwerken, omdat ik het belangrijk vind om het culturele belang van onze regio te benadrukken. Pennsylvania wordt vaak over het hoofd gezien, terwijl het een enorme invloed heeft gehad op mijn smaak. Mijn logo is een Pennsylvania Dutch hex sign die ik zelf heb ontworpen, een traditioneel symbool dat op schuren wordt geschilderd voor geluk, bescherming tegen kwade geesten, en als decoratieve persoonlijke handtekening.

In Toilet Wizard, een nummer op mijn aankomende album, noem ik Joe Magarac naast Amerikaanse volkshelden als John Henry, Johnny Appleseed, Paul Bunyan en nu ook de Toilet Wizard. Joe Magarac is minder bekend, maar is eigenlijk de John Henry van West-Pennsylvania. In plaats van een hamer te gebruiken om spoorwegspijkers te slaan, kon hij met blote handen gesmolten staal buigen. Gezien de rijke staal- en ijzerindustriegeschiedenis van West-PA wilde ik hem beslist opnemen. Ook andere nummers op mijn komende albums bevatten geografische referenties en personages uit onze regio.

Kun je je het moment herinneren waarop een lied of album je echt raakte? Wat was het, en wat deed het met je?

Mijn oma draaide altijd Elvis-cassettes in haar rode Oldsmobile. Ik vond dat geweldig. Ze had zelfs een hele kamer in haar trailer gewijd aan Elvis-memorabilia, van vloer tot plafond. Het was prachtig. Maar het moment waarop mijn muzieksmaak echt begon te groeien, was toen mijn moeder me de boxset American Recordings van Johnny Cash gaf, gekocht bij Walmart. Ik was een jaar of twaalf en begon echt naar de teksten te luisteren. Ik hield van die rauwe, uitgeklede stijl: alleen Cash en zijn gitaar. Veel van die nummers waren covers, en ze brachten me op het spoor van de originele artiesten. Een soort gateway naar singer-songwriters als Townes Van Zandt, John Prine en Guy Clark dus. En via hen ontdekte ik weer Woody Guthrie, Jean Ritchie, Doc Watson, enzovoort.

Ik hield altijd al van muziek en zingen, zo lang als ik me kan herinneren. Mijn moeder draaide goede muziek, weinig standaard radiomateriaal. De Cold Mountain soundtrack had ook grote invloed. Het was een van de eerste albums die ik zelf kocht, met kerstcadeaubonnen, voor mijn felgroene iPod Nano.

Wie gaf je voor het eerst een instrument of microfoon in handen? Was er iemand die vanaf het begin in jouw muziek geloofde?

Als kind kreeg ik pianoles. Dat vond ik in het begin leuk, maar de docent viel uiteindelijk nogal tegen. En dat zegt wat, want ik hield juist van veel van mijn leraren. Jammer, maar daardoor liet ik muziek een tijdje liggen. Pas op de middelbare school pakte ik de gitaar op. Mijn moeder geloofde altijd in mijn artistieke talent. Ze schreef me in voor van alles: toneel, fotografie, muziek, beeldende kunst.

Later leerde ik gitaarspelen op haar Yamaha-gitaar uit de jaren 70, die ze kocht toen ze werkte bij Koontz’ Music Store in Bedford. Daar ontmoette ze mensen als Dr. Hook and the Medicine Show en de Nitty Gritty Dirt Band. Op de middelbare school deed ik mee aan een gespecialiseerd koor dat Varsity Singers heet, en speelde ik Moonface Martin in Anything Goes van Cole Porter. Zo begon ik mijn eerste liedjes te schrijven.

Welke artiesten of genres voelden voor jou als thuis tijdens je jeugd? En hoe klinkt dat door in je muziek vandaag?

Ik groeide op in de nadagen van de grote countryhausse van de jaren 90. Veel mensen zagen dat als het begin van het einde van de populaire country, maar er werden toen ook nog veel goede nummers gemaakt. Die muziek voelt als mijn jeugd, net als veel nummers uit de jaren 70 en 80 die toen nog op de radio kwamen. Mijn moeder draaide thuis veel bluegrass en traditionele folk. Dat hoor je zeker terug in mijn muziek. Tegelijkertijd luisterde ik als kind naar van alles: Molly Hatchet, Green Day, My Chemical Romance, Eminem, Nelly, Baja Men, noem maar op. Meestal hoorde ik muziek via de Top 40 of uit kindvriendelijke films. In de jaren 90 ging muziek ontdekken nog niet via zoekbalken.

Pas op de middelbare school begon ik Amerikaanse folkmuziek echt te waarderen. En toen ik mijn iPod had – na die Johnny Cash-box – kon ik eindelijk zelf op zoek naar artiesten. Het voelde als een openbaring. Nu, als ik door Bedford County rijd, luister ik graag naar instrumentale bluegrass, traditionele Ierse muziek, of klassieke stukken zoals een nocturne van Chopin of iets van Tsjaikovski. Jean Ritchie en Frederic Chopin roepen bij mij een vergelijkbaar gevoel op, ondanks hun totaal andere stijl. Ik romantiseer mijn jeugd op een gezonde manier en laat die herinneringen tot leven komen met die muziek.

Wat voor werk deed je voordat muziek je broodwinning werd? En heeft dat je liedjes beïnvloed?

Voordat ik muziek maakte, wilde ik autocoureur worden. Ik racete met karts op ovale grindbanen en later met winged sprint cars. Als ik ooit genoeg geld heb, ga ik dat weer doen. Maar zoals ze zeggen: de makkelijkste manier om miljonair te worden in de autosport is om als miljardair te beginnen. Het werd al snel meer een bedrijf dan een sport. Mijn allereerste bijverdienste was het bezorgen van huisgestookte witte whiskey (moonshine) voor een lokale producent die verbonden was aan de racescene. Hij beweerde dat zijn recept van Junior Johnson kwam.

Mijn eerste legitieme baan was bloemen bezorgen, dat vond ik echt leuk. Iedereen is blij om bloemen te krijgen, zelfs op een verdrietige dag. Daarna leende ik geld om te studeren, eerst aan de University of Pittsburgh at Johnstown, waar ik mijn eerste optredens deed. Na wat bijna-carrières in vastgoed en sales besloot ik: als ik genoeg shows per maand speel, kan ik mijn rekeningen betalen en mijn eigen baas zijn. Mijn vader had ook een eigen bedrijf, een eenmanszaak in loodgieterswerk. Omdat we nooit echt reisden, gebruik ik muziek nu als excuus om het land te zien. Ik ben dankbaar dat ik dit werk mag doen. Alles wat ik nu heb komt van mijn pen en gitaar.

Is er een nummer dat je hebt geschreven dat bijzonder verbonden is met jouw eigen verhaal? Een dat altijd anders binnenkomt als je het speelt?

Ik heb – voor zover ik weet – geen kinderen, maar ik stel me voor dat zo’n keuze voelt alsof je je favoriete kind moet aanwijzen. Toch denk ik dat An Occurrence at Dunning’s Creek Bridge erg persoonlijk is. Na mijn afstuderen aan de universiteit ging ik door een heel moeilijke, depressieve periode. Je hoort dat nummer pas op mijn derde plaat, maar ik speel het al live. Put Rocks On My Grave komt uit hetzelfde gevoel, en ook dat verschijnt pas op dat derde album. Crack Cocaine is persoonlijk op een andere manier: ik heb mensen van wie ik houd zien worstelen met verslaving, ik verloor zelfs een neef aan fentanyl. Het is bijzonder als mensen na een show naar me toe komen om hun verhaal te vertellen, over hun eigen worsteling of die van een geliefde.

Hero of Mine is een lied voor mijn moeder, dat ik ongeveer één keer per jaar speel, het betekent veel voor me. Door het zelden te spelen, blijft het speciaal. Toilet Wizard schreef ik voor mijn vader, en het werd een soort cultfavoriet. Dat nummer was op bepaalde vlakken goed voor onze vader-zoonrelatie, en op andere juist niet. Dat is het risico als je karakters baseert op mensen uit je leven. Elke serieuze schrijver, dichter of liedjesschrijver herkent dat wel. Doves and Pine Boxes roept altijd iets anders op als ik het speel, het is een soort ode aan mijn carrière. A Tear Addressed To You kan me soms emotioneel maken.

Het hangt allemaal af van de dag en van wat er op dat moment speelt in mijn leven. Wat ik ermee wil zeggen: ik schrijf geen nummers en breng ze niet uit als ze me niets doen – of dat nu een lach of een traan is. Ik doe mijn best om alleen muziek te maken die een reactie oproept. In die zin zijn ze dus allemaal geworteld in mijn eigen verhaal. Soms recht voor je neus, soms meer verborgen. Sunflower Creek is bijvoorbeeld diep politiek en pro-arbeider, pro-zwerver, maar de meeste mensen horen gewoon een lekker zomers nummer. Dat is juist het mooie.

Iedereen heeft wel een artiest of plaat waar hij of zij naar grijpt als het leven zwaar wordt. Wat is die van jou?

Townes Van Zandt en John Prine. Sommige mensen kunnen geen verdrietige muziek aan als ze zelf down zijn, maar ik vind het juist fijn om dat gevoel te omarmen en erdoorheen te leven. Ik ben vaak het creatiefst als ik in een dip zit. Townes heeft een aantal nummers die iedereen kent en die echt verdrietig zijn – die vind ik prachtig – maar hij heeft ook prachtige poëtische ‘deep cuts’ die ervoor zorgen dat mijn derde shot tequila wat minder pijnlijk voelt. Nummers als Colorado Bound staan in een majeurtoonsoort en beschrijven beelden als wind over groen gras van een berghelling. Bij een recente herontdekking van zijn werk viel het me op hoeveel windbeelden hij gebruikt in zijn teksten – bewonderenswaardig. Ik denk dat dit werk sowieso veel lijkt op de wind: altijd onderweg, nooit echt vast ergens. Maar eigenlijk gaat dat nummer over zelfhaat en iemand missen die niet meer terugkomt en toch al niet goed voor je was.

John Prine is daar ook meester in. The Great Compromise is natuurlijk een briljant protestlied tegen oorlog én een bredere aanklacht tegen Amerika tijdens de Vietnamoorlog, maar op een oppervlakkig niveau voel ik de pijn nog steeds als het ‘vrouwelijke’ personage de spreker verlaat voor een kerel in een buitenlandse sportwagen. Dat is een nummer met zo veel lagen, fantastisch.

Als ik me slecht voel, keer ik terug naar de artiesten die me altijd geïnspireerd hebben. Die lange lijst staat op mijn website (colttwinterlepley.com) en scheelt je vier alinea’s hier. Ik lees dan ook veel poëzie. Mensen als Charles Bukowski, Emily Dickinson, Sylvia Plath, Richard Brautigan. Ik hou van teksten die me aan mijn sterfelijkheid herinneren, dan blijf ik niet te lang in zelfmedelijden hangen.

Touren haalt je weg van je wortels. Wat geeft jou houvast als je ver van huis bent?

Ik ben enig kind en groeide op in een tijd zonder mobiele telefoons of constante connectie met anderen. Die periode heeft mijn verbeeldingskracht en vertelvaardigheden gevormd. Zeker tijdens de zomervakanties moest ik mezelf vermaken. Ik ben nooit verwaarloosd geweest – integendeel, ik had een geweldige jeugd – maar soms kon ik niet eindeloos fietsen rond het huis of op de Nintendo 64 spelen. We woonden op het platteland, en sommige zomers maakten me gek van verveling. Maar dat was ook de tijd waarin ik leerde verhalen te verzinnen en creatief te zijn.

Dat helpt me nu enorm als ik alleen op pad ben. Ik slaap zonder moeite in parkeerplaatsen van Chili’s of rijd 25 uur alleen naar Wyoming, omdat ik heb geleerd mijn hoofd bezig te houden. Tegenwoordig is het met al die technologie trouwens veel makkelijker om contact te houden. Als ik heimwee krijg, kan ik muziek opzetten of iemand bellen. Eigenlijk moet je nu bijna moeite doen om heimwee te voelen. Reizen is nu net zo normaal als barbecuen in de garage van mijn ouders. En ik heb zoveel bijzondere mensen leren kennen in het hele land. Ik ken overal wel iemand, of iemand die iemand kent. Alles voelt nu als thuis.

Wat is een podium, stad of locatie die als thuiskomen voelt?

Ik heb zeker mijn voorkeuren als het om zalen gaat. Ik doe dit nu bijna tien jaar fulltime, met wisselend succes. Elk jaar speel ik ergens tussen de 165 en 215 shows. In die tijd heb ik gespeeld voor een stadion met meer dan 8500 mensen, in theaters met tickets, op festivals, maar ook in hete kroegen in juli zonder airco, naast een popcornmachine, voor drie norse stamgasten.

Eerlijk gezegd: als het publiek erin meegaat, ga ik erin mee. Voor mij zit ‘thuis’ niet in een zaal, maar in mensen. Als ik mijn werk goed doe en mensen laat lachen, huilen of instemmend knikken, dan ben ik blij. Of dat nou groots of klein is maakt niet uit. Meestal lukt dat zes of zeven avonden per week. Natuurlijk zijn er ook avonden waarop het niet uitmaakt of Lyle Lovett of Robert Earl Keen binnenwandelt, sommige mensen zijn vastbesloten om gewoon te blijven praten.

Sommige zalen doen gewoon meer moeite om kunst goed te presenteren. Ik zie dat zelfs bij veel grotere artiesten, ook al betalen mensen enorme bedragen voor een ticket. Ik begrijp dat niet helemaal, maar ik denk dat het te maken heeft met die zwarte rechthoekjes in onze broekzakken, en met de aandachtzoekende, individualistische, impulsieve cultuur in de VS. Tegelijkertijd kan ik ook niet te hard oordelen, ik stap elke week op een podium en vraag mensen om naar mij te kijken en te luisteren.

Welke wortels ben je nu aan het planten? Is er een nieuwe richting, een nieuw album of een volgende fase in ontwikkeling?

Ik heb al acht volledige albums uitgedacht, compleet met tracklists en aantekeningen over de instrumentatie. Maar dat kost geld. Muziek is al bijna tien jaar mijn beroep en ik blijf schrijven, maar ik heb bewust geprobeerd om van Spotify en streamingdiensten weg te blijven, ik verafschuw hun verdienmodel. Maar je moet mensen ontmoeten waar ze luisteren.

Vorig jaar beet ik toch maar door de zure appel heen en nam ik mijn debuutalbum op – zes nummers – met Al Torrence in Music Garden Studios in Beaver County, PA. Dat project was volledig zelf gefinancierd met geld uit optredens, want dit is mijn fulltime werk. Ik werkte ook samen met The Allegheny High, de band van Charles Wesley Godwin, allemaal jongens uit Pittsburgh of de buurt daarvan: Al, Joe, Nate en Amico deden mee. Alan Getto en Justin Long, andere muzikanten uit Pittsburgh, hielpen ook mee om mijn liedjes van een passend geluid te voorzien.

Wat ik hiermee wil zeggen: zolang mensen blijven luisteren, platen kopen en merch aanschaffen, kan ik muziek blijven maken. Ik ben nog steeds een werkende muzikant. Ik heb in al die jaren misschien zes weken vrij gehad, waarvan vier door ziekte. En dat is geen klacht: ik hou van mijn werk. Maar ik zou makkelijker geld kunnen verdienen op een andere manier, dat is alleen niet waarom ik dit doe. Ik wil elk weekend de weg op om mijn verhalen en liedjes te delen met mensen in het hele land. Ik geloof in mijn kunst. Dus als je het nieuwe album tof vindt en meer wilt horen, houd dan mijn website in de gaten. Zolang ik rechtop sta, blijf ik maken.

Luister naar Crack Cocaine van Coltt Winter Lepley.


Discover more from

Subscribe to get the latest posts sent to your email.

Leave a comment

Trending

Discover more from

Subscribe now to keep reading and get access to the full archive.

Continue reading